Als men uit het buitenland aan Nederland denkt is het vaak hetzelfde wat hen meteen te binnen schiet. Tulpen, grachten, kaas, molens, klompen. Allemaal typisch Nederlands. Het poldermodel en ons gedoogbeleid. Daar onderscheiden we ons als land mee. Als de buitenlander in kwestie veel met voetbal heeft, zou hij Johan Cruijff nog noemen. Misschien Van Basten, Louis van Gaal of Guus Hiddink. Onze huidige generatie voetballers is in het buitenland eveneens goed vertegenwoordigd: Wesley Sneijder, Arjen Robben en Robin van Persie hebben fans bij alle grote Europese clubs.

Samen sterk

Maar écht iedereen kent Nederlandse voetbalsupporters. Tijdens een EK of WK zijn wij het meest herkenbare land, ongeacht je ervan vindt. Een oranje massa, bierdrinkende malloten. Er is geen enkel land dat zich tijdens een groot kampioenschap zó verenigt als Nederland. De straten worden versierd met vlaggetjes en posters. In buurten komt iedereen samen om de interlands te bekijken. En zelfs dan is iedereen verkleed. Een leeuwenpak, een oranje overall. Als het maar rood, wit en blauw of oranje is.

Dit ‘Oranjegevoel’ is dus een typisch Nederlandse beleving van het voetbal, iets dat na het gewonnen kampioenschap van 1988 pas echt begon. Maar is er ook zoiets als Nederlands voetbal? Vroeger wel, toen Oranje met dominantie speelde op de helft van de tegenstander. Voetbal volgens het boekje, met buitenspelers en langs de lijnen. Sinds Marco van Basten bondscoach van Nederland werd, is dat beeld wat veranderd. Oranje begon meer te counteren, de buitenspelers verdwenen en middenvelders gingen meer meters lopen. Het spel werd verdedigender en terughoudender. Iets dat terug te zien was in de uitslagen. Maar de fans juichen er niet minder hard om.